Word lid
Defensie staat voor de grootste groeiopgave sinds het einde van de Koude Oorlog. De schaalbare krijgsmacht moet uiterlijk in 2030 zijn gevuld met personeel. Daarbij zal het aanvankelijk gaan om ongeveer 100.000 mensen, bestaande uit beroepsmilitairen, reservisten (veelal in deeltijd) en burgerpersoneel. Maar Defensie schat de uiteindelijke omvang van de oorlogsorganisatie zelfs op maximaal 200.000 mensen, blijkt uit een brief die vandaag door staatssecretaris van Defensie Gijs Tuinman naar de Tweede Kamer is verstuurd.
Defensie wil de groeiopgave grootschaliger, ingrijpender en in een hoger tempo aanpakken dan het tot dusver deed. De ambitie is om in 2027 de Nederlandse krijgsmacht te hebben ingericht in een zogenoemde vredesorganisatie en een oorlogsorganisatie.
De oorlogsorganisatie zal uiteindelijk een capaciteit hebben van maximaal 200.000 mensen (beroepsmilitairen, burgerpersoneel en veel meer reservisten). Dat is meer dan tweeëneenhalf keer het huidige aantal mensen. Het opnieuw instellen van een generieke opkomstplicht is niet aan de orde. Volgens Defensie zijn er effectievere manieren om op te schalen. Defensieonderdelen komen nog in 2025 met hun plannen voor een schaalbare inrichting. Dan wordt duidelijk welke aantallen mensen in de vredes- en oorlogsorganisatie daadwerkelijk benodigd zijn. Hoe dan ook zal het personeelsbestand veel sneller moeten groeien dan het nu doet.
Voor het bemensen van de mobilisabele eenheden heeft Defensie grote aantallen reservisten nodig. Zonder hen komt er geen goed functionerende oorlogsorganisatie met voldoende opschalingscapaciteiten. Dat vereist dat het begrip reservist een andere lading krijgt. Defensie heeft militairen die doorlopend in werkelijke dienst zijn en militairen die dat niet zijn. Daar horen rechtspositionele aanspraken bij die eerlijk en proportioneel in verhouding tot elkaar staan.
De vele reservisten moeten worden opgeleid en getraind op reguliere basis. Het merendeel hiervan wordt in vredestijd slechts opgeroepen om te oefenen, zodat deze capaciteit tijdig gereed is zodra die nodig is. Een groot aantal van de reservisten zal uitsluitend op een functie in de oorlogsorganisatie worden geplaatst. Zij zullen voor een groot deel worden ingezet voor Host Nation Support en alles wat nodig is voor de territoriale verdediging binnen Nederland (inclusief onder meer de bescherming van vitale infrastructuur, logistiek en bevoorrading). Voor deze doelgroep ontwikkelt Defensie weerbaarheidstrainingen.
De deelnemers doorlopen een programma van tien tot twaalf weken waarin ze een militaire basisopleiding krijgen. Al dit jaar gaat Defensie in het kader van de invoering van de korte variant van het Dienjaar van start met deze trainingen. De komende jaren zullen die zo snel als mogelijk worden opgeschaald. Na het volgen van de training maakt de deelnemer de keuze of hij of zij als reservist aan wil blijven.
Met onderwijsinstellingen beziet Defensie de mogelijkheid voor studenten om hun minor bij Defensie in te vullen door het volgen van deze weerbaarheidstraining. Op deze manier wordt het aantal opties voor het volgen van leer-diensttrajecten uitgebreid. De huidige leer-diensttrajecten die lopen bij de Defensieonderdelen, waaronder de opleiding Veiligheid en Vakmanschap (VeVa), worden geïntensiveerd op grond van het MBO-convenant met de ROCa.
Defensie wil voormalige beroepsmilitairen als reservist zo lang mogelijk blijven inzetten bij de eenheid waar ze eerder gediend hebben, bijvoorbeeld als opleider. Zelfs als een relatief klein deel van deze groep bereid is reservist te worden, levert dit al snel een grote groep opgeleide en ervaren collega’s op binnen de (mobilisabele) eenheden. Voor oud-beroepsmilitairen die willen terugkeren als reservist, of als beroepsmilitair, worden interne processen, procedures en regelgeving tegen het licht gehouden en waar nodig maatregelen genomen om een terugkeer makkelijker te maken.
Om beter en directer zicht te krijgen op de doelgroepen van mensen die willen werken voor Defensie, wordt gewerkt aan een enquête. De enquête richt zich op een brede doelgroep van jongeren in de leeftijd van 18-27 jaar. In het najaar begint Defensie met het aanschrijven van een eerste groep.
Het opleiden is een enorme uitdaging en een cruciale randvoorwaarde. Daarvoor is het noodzakelijk om de opleidingscapaciteit te vernieuwen, uit te breiden en samen te werken met civiele opleiders. Tegelijkertijd moet Defensie ook goed kijken naar nut en noodzaak van opleidingen, met als uitgangspunt dat de militair functioneel wordt opgeleid voor de taken en verantwoordelijkheden die hij of zij heeft. Daarbij houdt Defensie ook aandacht voor jongeren die nog een startkwalificatie moeten behalen.
Het uitbreiden van capaciteit kan echter op korte termijn alleen in voldoende mate, door ook mensen uit de huidige organisatie de opdracht te geven om militairen op te leiden.
Defensie onderzoekt waar functie-eisen en daarvan afgeleide selectie- en keuringseisen kunnen worden bijgesteld, expliciet om meer kandidaten in de gelegenheid te stellen om militair te worden.
Defensie zal met de vakbonden (de centrales van overheidspersoneel) in overleg moeten om afspraken te maken over de personele aspecten van de voorgestelde veranderingen. Voor reservisten in het bijzonder moeten heldere afspraken over hun rechten en plichten worden gemaakt. De rechtspositie en daaraan gekoppelde uitvoeringsregelingen moeten passen bij de werkzaamheden binnen de vredes- en de oorlogsorganisatie. Mogelijk zullen rechten en plichten van personeel en van de werkgever worden aangepast. Defensie wil ook de mogelijkheid onderzoeken om in de rechtspositie te verankeren dat vertrekkende beroepsmilitairen per definitie voor een bepaalde periode verbonden blijven aan Defensie als reservist .
Daarnaast wil Defensie met de vakbonden verder overleggen over het versnellen van de reorganisaties, en over de mogelijkheden voor zowel militairen als burgerpersoneel om langer door te blijven werken.